De titel van deze post komt van het nummer Rush Hour, van het album GO:OD AM van de legendarische Mac Miller.
15 Juni, 2025 – dag 76 – 3.255 km

Van mei tot juni 2024 – precies een jaar geleden – trok ik 30 dagen (jep, een hele maand) door de Balkan. Het idee achter de trip was tweeledig: 1) Roemenië ontdekken (lol, je leest hier hoe dat ging), en 2) een maand solo reizen als ‘test’ om te zien of ik een jaar alleen zou aankunnen.
Mijn logica was zoiets als: “Als ik een maand alleen kan zijn, kan ik ook een jaar alleen zijn.” Ja, ik weet het. Schattig, toch? Sommigen zouden zeggen dat het een idiote gedachte was, toch was ik best serieus. Maar… tegelijk was ik dat ook weer niet echt helemaal. Ik denk dat het mijn manier was om die stiekeme angst voor het echte werk te onderdrukken.
Maar! Verrassing! Zo werkt het natuurlijk niet. Wie-oh-wie had dit verwacht.
Weet je nog dat ik helemaal verliefd werd op Salzburg? -En ja, ge weet het nog, doen alsof het niet zo is. Het was niet alleen de omgeving. Het was vooral dat ik na weken reizen voor even bij dezelfde mensen kon zijn. Ik hoefde mezelf niet steeds weer uit mijn comfortzone te slepen om die eerste hallo te zeggen, uit te leggen wie ik ben, wat ik deed, en hopen op een connectie die binnen 24 uur waarschijnlijk weer verdwenen zou zijn. Nee, ik kon gewoon gesprekken voeren, en deze de dag nadien opnieuw oppikken.
Ik kon ontspannen, ik kon mezelf zijn, zonder me voor de 127e keer voor te stellen. Het herinnerde me eraan hoeveel ik de menselijke verbinding miste. Het gaf me iets om aan vast te houden; iets geruststellends, het gaf me structuur. Want blijkbaar houd ik van structuur, of dat nu een agenda-afspraak is, een gesprek of wat dan ook.
Begrijp me niet verkeerd: ik heb al prachtige mensen ontmoet. Mensen met wie ik nog steeds contact heb. Mensen waarvoor ik dankbaar ben. Mensen waarvan ik denk dat ze voor lange tijd in mijn leven zullen blijven. Maar Salzburg was het eerste moment dat ik écht kon uitademen en niet mijn twee pollekes hoefde te kussen voor een moment van interactie. Er was rust. Er was een zachtheid die ik niet wist nodig te hebben.

Maar, zoals dat gaat, moest ik ook weer vertrekken. En toen begonnen de barsten te verschijnen. Hoe verder ik naar het noordoosten trok, hoe minder Engels men sprak, hoe minder gesprekken er waren, hoe droeviger ik werd, en hoe meer ik vast kwam te zitten in mijn eigen hoofd. Het is een interessante plek om te zijn, maar ook best beangstigend. En combineer dat met kloteweer in mei, en ik had het er helemaal mee gehad. Echt, irrationeel, helemaal mee gehad.
Wat een raar gevoel was, want ik had geen heimwee, en ik was zeker nog niet klaar met reizen. Integendeel: ik was nog steeds stapelverliefd op het avontuur. Ik genoot van de delen waarin ik gewoon de tijd en ruimte volledig vergat, geen flauw benul welke dag van de week het was, zonder ook maar iets te geven om het feit of het nu een vrijdag, zaterdag of zondag was, met al hun bijbehorende gevoelens en routines. Het was de vrijheid waar ik van droomde. En toch – ik voelde me vreselijk.
En ergens in al mijn eenzaamheid betrapte ik mezelf erop: waarom is het zo verdomd moeilijk om toe te geven dat ik het even niet meer aankan, zelfs niet tegen mezelf? Social media, reisblogs, al die gepolijste verhalen “of living the dream life” laten je geloven dat je je alleen maar geweldig mag voelen tijdens deze reizen. Ik voelde me een verwend nest toen ik dacht: “Awel, ik voel me eigenlijk echt strontslecht.”

En dít is het punt waar niemand je op voorbereidt. Het moment dat je dromen zwaar beginnen te voelen. Dat je je afvraagt of je het misschien gewoon niet kan, dat het gewoonweg niet voor u weggelegd is, wat misschien wel een van de ergste gevoelens is die ik ooit heb gehad. En ik weet dat dit niet helpt aan het “witte-dertiger-met-al-het-geluk-in-de-wereld-en-het-zit-ff-niet-mee-syndroom”, maar het is wat het is.
Ik deel dit niet om medelijden op te wekken, of om te vragen om mij een bericht te sturen met de vraag of “alles oke” is? Ik deel dit omdat ik iemand misschien kan helpen door te vertellen dat het helemaal fucking oké is om je soms verschrikkelijk slecht te voelen. Ongeacht waar je bent, wat je doet of hoe “gelukkig” je geacht wordt te zijn.
Als je wil huilen, huil. Als je wil schreeuwen, schreeuw. Ik ben geen voorstander van geweld, maar als je ergens op wil slaan—doe het, maar sla niemand. Voel wat je voel -feel what you feel- en bedenk daarna wat je nodig hebt om verder te gaan.

Voor mij was dat: uit Oost-Europa weggaan. –Het ligt niet aan mij, het ligt aan jou. We matchen gewoon niet. Misschien moeten we andere landen beginnen zien.– Dus ik sprong op de bus. Stopte in Boedapest. Trok door naar Zagreb. En net zo plots liet ik de zwaarmoedigheid los. Ik liet het achter.
En hier pikt mijn reis weer op. Ik ben terug in het drukbezochte en zonnige Zuid-Europa, opnieuw richting de Balkan. Het duurde een tijd om toe te geven dat ik ongelukkig was. Nog langer om daarnaar te handelen. Maar naar mezelf luisteren, mezelf op de eerste plaats zetten, is de beste keuze die ik tot nu toe heb gemaakt.

En alsof het leven nog niet poëtisch genoeg is, gaf het me een reisgenoot: Rodrigo, mijn Argentijnse vriend die min of meer hetzelfde licht waanzinnige avontuur befietst als ik. En het maakt me blij om te kunnen zeggen dat ik me weer alleen kan voelen, maar ditmaal samen.
Ik weet dat we elkaar uiteindelijk zullen loslaten wanneer onze wegen onherroepelijk scheiden, maar dat maakt me niet bang zoals voorheen. Want nu ken ik mezelf beter. Ik weet wat ik nodig heb als de dagen zwaar voelen. En ik ben dankbaar – oprecht, diep dankbaar – om hier te zijn, mezelf uit te zoeken, kilometer na kilometer.









